Nader Verklaard

Temperatuurmetingen:

De stand die een thermometer aangeeft is afhankelijk van de omgeving waar de temperatuur wordt gemeten. Vandaar dat reclamethermometers op uiteenlopende plaatsen bij winkels en bedrijven een verschillende waarde aangeven. Zeker als die instrumenten ook nog eens een deel van de dag door de zon worden beschenen kunnen grote afwijkingen optreden. De temperatuur die langs de weg in digitale cijfers wordt afgelezen kan dan ook verschillen van de temperatuur die door het KNMI wordt gemeten.

Op meteorologische stations wordt de temperatuur van de lucht volgens internationale afspraak gemeten in graden Celsius op een hoogte van anderhalve meter boven een open grasvlakte. De thermometer of de sensor, waarmee de temperatuur wordt waargenomen, staat in een wit kastje met wanden die de vorm hebben van een open jaloezie. Daardoor heeft de wind vrij spel, maar zon en neerslag kunnen niet tot de instrumenten doordringen.

De temperatuur die op deze wijze wordt gemeten wordt ook in de weerberichten gegeven. In een stedelijke omgeving kan de temperatuur vooral door de bebouwing en bestrating afwijken. Zo zal het daar in de regel warmer zijn dan op het platteland. Vooral op heldere avonden met weinig wind, wanneer het boven een grasvlakte sterk afkoelt, kunnen de temperatuurverschillen met de binnenstad groot worden. Ook in de buurt van wateroppervlakten, bossen, heide en zandvlakten kan het temperatuurverloop anders zijn dan bij een weiland.

De temperatuur neemt over het algemeen af met de hoogte. Bij droge lucht is de afname ongeveer 1 graad per honderd meter, bij vochtige lucht is dat ongeveer 0,6 graden. Na of aan het eind van een heldere nacht met weinig wind kan de temperatuur tot een bepaalde hoogte ook toenemen met de hoogte. Dit heet een ‘inversie’, de hoogte tot waar de temperatuur afneemt de ‘inversiehoogte.

 

Bron KNMI

 


 

Barometer:

De meeste barometers, instrumenten waarmee de luchtdruk wordt gemeten, hebben aanduidingen als mooi, bestendig, veranderlijk, regen en storm. Het weer kan echter heel anders zijn dan de barometer aanwijst. Die vermeldingen dateren uit vorige eeuwen, toen er nog weinig bekend was over het verband tussen het weer en de luchtdruk. Een hoge druk van 1030 of 1040 hectoPascal (hPa) betekent niet altijd zonnig weer.

Het kan dan ook mistig zijn of regenen. Meestal blijft de neerslag bij een hoge luchtdruk beperkt tot hooguit enkele millimeters, maar er zijn situaties voorgekomen dat er bij een luchtdruk van 1030 hPa uit een bui 10 tot 15 millimeter viel.

Omgekeerd kan het in een lagedrukgebied zonnig, droog en rustig zijn. Het hangt er vooral vanaf waar het centrum van het drukgebied ten opzichte van het land ligt. Afhankelijk daarvan kan ons land zich bevinden in vochtige lucht met bewolking of mist of in droge lucht met volop zon. De kracht van de wind wordt bepaald door de verschillen in druk. Als die verschillen over een grote afstand klein zijn waait het weinig en maakt het niet uit of de luchtdruk hoog of laag is.

Toch is de kans op neerslag bij een lage luchtdruk in het algemeen groter is dan bij hoge druk. Uit vergelijkingen van dagelijkse aflezingen van de barometer en het weer blijkt de kans op neerslag bij een lage luchtdruk van 990 hPa 80 procent te zijn. Dat betekent dat er in acht van de tien gevallen regen of sneeuw valt. Bij 1000 hPa is de neerslagkans 70 procent, bij 1010 hPa 40 procent bij 1020 hPa 20 procent en bij een hoge druk van 1030 hPa slechts 10 procent.

Snelle veranderingen van druk gaan meestal vergezeld van veel wind of zijn de voorbode van een storm. Als de stand van de barometer snel oploopt of daalt betekent dat meestal dat het weer gaat veranderen. Uit onderzoek naar het verband tussen de barometerstand en het weer blijkt dat in 80 procent van de gevallen een stijgende luchtdruk leidt tot een weersverbetering en een dalende luchtdruk tot slechter weer.

In de weerrapporten is de luchtdruk herleid naar zeeniveau. De barometer kan het best worden ingesteld op de luchtdruk van het weerstation dat het dichtst in de buurt ligt. Kwikbarometers, zoals de contrabarometer van Huygens zijn niet af te regelen. De stand die dit type barometers aangeeft is vooral afhankelijk van de hoogte van de woonplaats en zal iets afwijken van de luchtdruk in de weerrapporten.

De luchtdrukafname met de hoogte is gemiddeld 1 hPa per 8 meter. Op 40 meter hoogte wijst de Huygens-barometer dus 5 hPa lager dan op zeeniveau.

 

Bron KNMI


 

Hitte Index:

Warm en vochtig weer voelt drukkend aan en langdurige hitte kan vooral voor ouderen en zieken uitputtend zijn. Ook voor mensen met een goede conditie is een hittegolf vermoeiend omdat de combinatie van hitte en vocht hoge eisen stelt aan hart- en bloedvaten.

Naar aanleiding van ervaringen met hete zomers begin deze eeuw zijn verschillende landen, waaronder Nederland, begonnen met waarschuwingen en gedragsadviezen wanneer sprake is van een hittegolf. De Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) nam naar aanleiding van deze ervaringen het initiatief om een hitte index wereldwijd onder de aandacht te brengen. Zo'n index beschrijft bij benadering de warmteoverdracht tussen lichaam en omgeving. Inmiddels is meer onderzoek gedaan naar het effect van warmte en zijn er verschillende methodes en tabellen in gebruik voor het bepalen van de hitte index (zie onder Externe links met onder meer een formule van de NOAA om de hitte index te berekenen).



Als de omgevingstemperatuur warmer is dan de lichaamstemperatuur kan dat gevaar opleveren voor de gezondheid. De hitte index, die geldt voor zonnig weer, wordt bepaald uit een combinatie van temperatuur en vochtigheid. De tabel vermeldt ook wat de gevolgen van de verschillende waarden voor de mens kunnen zijn en wanneer de gezondheid bij grote lichamelijke inspanning gevaar loopt. Deze absolute index is ontwikkeld door de Amerikaan Robert Steadman, die ook een windchill-index voor de combinatie van vorst en wind bedacht. Daarnaast wordt in verschillende landen gewerkt aan de ontwikkeling van een relatieve klimaatafhankelijke index, waarin bijvoorbeeld ook de bijdrage van minimum- en maximumtemperatuur wordt meegewogen. In ons land wordt de hitte index niet gebruikt in de berichtgeving, wel de windchill index voor gevoelstemperaturen bij vorst.

Hoe we warmte ervaren hangt niet alleen af van zonnestraling, temperatuur en vochtigheid, maar ook van onze inspanning, gezondheid, kleding, voedingspatroon en zweet. Hitte leidt tot transpiratie en vochtverlies en daarom is het belangrijk om ter compensatie bij heet weer regelmatig te drinken.

Door verdamping van transpiratievocht koelt de huid af, omdat verdamping energie kost. Bij tropische temperaturen van 30 graden en hoger komt warmte-afgifte vrijwel alleen tot stand door verdamping. In vochtige lucht is de verdamping echter minder dan in droge lucht en voelt het warmer aan (drukkend), vooral als een verkoelende wind ontbreekt.

Zodra er grote kans is op een periode van aanhoudende hitte, kan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) het Nationaal Hitte Plan in werking stellen. De weersverwachting van het KNMI speelt hierbij een belangrijke rol. Als de kans op een naderende periode van tenminste vier aaneengesloten dagen met een maximumtemperatuur van minimaal 27 graden een bepaalde waarde overschrijdt, wordt het RIVM hierop geattendeerd. De weersontwikkelingen worden nauwlettend gevolgd en in onderling overleg kan het Nationaal Hitte Plan in werking stellen en geeft het KNMI een waarschuwing voor gevaarlijk weer uit (code geel).

Het hitteplan bevat maatregelen waarmee instellingen, zorgverleners, maar ook vrijwilligers en mantelzorgers, zich kunnen voorbereiden op een periode van aanhoudende hitte en adequaat kunnen handelen.

Europese hittewaarschuwingen
www.meteoalarm.eu

 

Bron KNMI


 

Gevoelstemperatuur

In de wind kan het een stuk kouder aanvoelen dan uit de wind. Dit verschijnsel staat ook wel bekend als "windchill". Hoe kouder het is en hoe harder het waait des te kouder voelt het aan.

Tabel voor bepaling van de gevoelstemperatuur volgens de JAG/TI methode die het KNMI hanteert
 
We kunnen het warmteverlies uitdrukken in een gevoelswaarde van de temperatuur, gevoelstemperatuur genoemd. Het verschil tussen de gemeten luchttemperatuur en de gevoelstemperatuur is een maat voor extra warmteverlies. Er bestaan verschillende berekeningsmethoden, zoals die van Siple en Passel ontwikkeld uit experimenten in 1939 tijdens een poolexpeditie. Steadman (1971) baseerde zijn methode op de hoeveelheid kleding die nodig was om mensen te beschermen tegen de kou.

Het KNMI maakt gebruik van een in Canada ontwikkelde formule, die ook in de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en IJsland wordt gehanteerd. Deze wetenschappelijk onderbouwde methode (Joint Action Group on Weather Indices) is gebaseerd op het warmtetransport van het lichaam naar de huid. De zogenaamde JAG/TI index staat dichter bij de menselijke ervaring van warmteverlies dan andere methodes. Verschillende instellingen in ons land die te maken hebben met gezondheidsadviezen en weerbedrijven maken gebruik van de tabel voor de gevoelstemperatuur die hierbij hoort.

De vermelde gevoelstemperatuur geldt voor een gezond, volwassen en wandelend persoon van gemiddelde lengte. De gevoelstemperatuur wordt berekend uit een combinatie van de luchttemperatuur en de gemiddelde windsnelheid. De zon speelt geen rol in de berekeningsmethode maar bij zonnig weer voelt het minder koud aan dan de berekende gevoelstemperatuur doet vermoeden. Ook wanneer je met de wind in de rug wandelt zal het minder koud aanvoelen.
 
Bij een gevoelstemperatuur onder min 10 graden kunnen na enkele uren verschijnselen van onderkoeling optreden. Gevoelstemperaturen onder de min 15 graden kunnen na een uur koudeletsel opleveren en onder de min 20 graden is na een half uur ook bij goed afdichtende winterkleding al een kleine kans op bevriezingsverschijnselen.

Het begrip gevoelstemperatuur is zeker niet van toepassing op levenloze objecten zoals machines, gewassen, het antivries in de auto of kwik. We kunnen de gevoelstemperatuur dan ook niet meten met een thermometer.

Wel heeft de wind invloed op de snelheid waarmee afkoeling optreedt. Daarom bevriezen waterleidingen en verwarmingselementen sneller als het bij vorst bovendien hard waait. De gevoelstemperatuur zoals hier gedefinieerd geldt ook niet voor dieren.

Zeldaamheid lage gevoelstemperaturen
Extreme doordringende kou met in De Bilt gedurende minstens een uur gevoelstemperaturen onder de -25 graden komt gebaseerd op een halve eeuw gegevens gemiddeld eens in de 33 jaar voor.

Eens in de twee jaar zakt de gevoelstemperatuur onder de -20 graden.

Gemiddeld telt een jaar 3 dagen met gevoelstemperaturen onder de -15 graden. Op 10 dagen per jaar komt de gevoelstemperatuur onder -10 graden. Een hele dag onder -10 graden met een laagste gevoelstemperatuur onder -20 graden komt eens in de drie jaar voor.

Onderkoeling
Omdat er bij lage gevoelstemperaturen een reëel risico bestaat op onderkoeling, geeft het RIVM adviezen om dat te voorkomen.
 
 
Bron KNMI
 

 

Luchtdrukmeting:

 

De luchtdruk is de kracht die het gewicht van de lucht in de atmosfeer op een oppervlak uitoefent. In de weerberichten wordt de luchtdruk opgegeven in hectopascal (hPa), wat gelijk is aan millibar, de oude eenheid voor de luchtdruk.
De luchtdruk wordt gemeten met een barometer. De meeste barometers bevatten een luchtledig doosje dat afhankelijk van de drukverandering meer of minder ingedrukt wordt. Die beweging wordt overgebracht op een wijzerplaat, waarop de luchtdruk kan worden afgelezen. Op veel huisbarometers is nog een schaalverdeling in millimeters te vinden. Deze schaal is eenvoudig om te rekenen in Hectopascal door die getallen met 1,33 te vermenigvuldigen.

Om de luchtdruk op verschillende plaatsen te kunnen vergelijken worden de barometers herleid naar zeeniveau. Aan de achterkant van het instrument is een schroefje aangebracht, waarmee de stand van de wijzer kan worden bijgesteld. U kunt dat eenvoudig zelf doen aan de hand van de gegevens vermeld onder de kolom "druk" op pagina 705 van teletekst. Voorwaarde is wel dat de luchtdrukwaarden op de verschillende weerstations dan nauwelijks of niet verschillen. U kunt het best alleen dan uw barometer afregelen op de luchtdruk die door het dichtstbijzijnde weerstation wordt aangegeven.

Kwikbarometers, zoals de contrabarometer van Huygens kunt u niet zelf afregelen. De stand die dit type barometers aangeeft zal, vooral
afhankelijk van de hoogte van uw woonplaats, in de regel iets afwijken van de luchtdrukwaarden vermeld op teletekst. Ook de geografische breedte en de temperatuur zijn van invloed op de stand die door een kwikbarometer wordt aangegeven.Enkele wetenswaardigheden voor barometerbezitters:

  • mm Hg betekent millimeter kwikdruk
  • cm Hg is dus centimeter kwikdruk
  • mbar is millibar, de oude eenheid van luchtdruk
  • hPa is hectopascal, de eenheid die tegenwoordig internationaal wordt gebruikt, mbar vertegenwoordigt dezelfde waarde als hPa.
  • Uw barometer heeft een schaalverdeling in millimeter kwikdruk (cm Hg), meestal een getal rond de 760.
  • Omrekenen naar mbar, of beter gezegd naar hPa (is evenveel) gaat als volgt:
    760 x 4/3 = 1013 hPa

 

Bron KNMI


 

Regenintensiteit:

Zware buien met veel regen in korte tijd kunnen leiden tot wateroverlast of overstromingen. Veel neerslag kan ook in het verkeer hinderlijk zijn door beperking van zicht en grote hoeveelheden water op de wegen met slipgevaar. Het is dus van belang hoeveel er binnen een bepaalde tijd verwacht kan worden of gevallen is.

Verdelingen van uursommen van neerslag en herhalingstijden in verschillende tijdvakken (Bron KNMI)
Ook voor rioleringen en waterbeheerders is het belangrijk te weten of bepaalde drempelwaarden worden overschreden en hoe vaak dat gebeurt. Als maat voor de intensiteit van de neerslag wordt gekeken naar de hoeveelheid die in een uur valt. Het KNMI beschikt over klimatologische meetreeksen van de uurintensiteit van de neerslag in De Bilt over een periode van meer dan honderd jaar. Voor bijna dertig weerstations in ons land zijn deze gegevens ook bekend over kortere periodes, die een beeld geven van de mogelijke heftigheid van neerslag. Daarnaast worden statistieken gebruikt van de hoeveelheden in kortere of langere tijdseenheden van een kwartier tot 6, 12 of 24 uur.

Een natte dag is een dag met binnen een etmaal een hoeveelheid van 10 mm of meer. Een jaar telt landelijk gemiddeld 22 natte dagen. Om van een dag met zware regen te spreken moet er op minstens één van de officiële weerstations 50 mm of meer zijn gevallen. Zulke zware buien komen vooral 's zomers voor, maar soms ook in andere jaargetijden. Een gewone zomer levert landelijk zes dagen met zware regen op.

Een overvloedige hoeveelheid van 50 mm of meer kan ook binnen enkele uren vallen of zelfs binnen een uur. Het weerstation Herwijnen kreeg op 28 juni 2011 een wolkbreuk waarbij in een uur tijd 79 mm viel. Dat is de hoogste regenintensiteit ooit in ons land gemeten.

De intensiteit van neerslag hangt sterk samen met de absolute luchtvochtigheid. Als maat voor de vochtigheid wordt de dauwpuntstemperatuur bepaald. Koelt een bepaalde hoeveelheid lucht bij gelijke druk af dan raakt de lucht op een bepaald moment verzadigd en verandert de waterdamp in druppeltjes. Dat proces speelt zich ook af bij de vorming van wolken. De temperatuur waarop waterdamp verandert in druppels (condensatie genoemd) is de dauwpuntstemperatuur of het dauwpunt.

Wanneer de temperatuur stijgt zal de maximale hoeveelheid vocht die de atmosfeer kan bevatten ook toenemen. De dauwpuntstemperatuur stijgt dan in het algemeen ook en daarmee de intensiteit van de neerslag. Bij de zwaarste buien zijn in ons land steeds zeer hoge dauwpuntstemperaturen gemeten van soms meer dan 20 graden. De lucht voelt dan heel benauwd aan.

Uit onderzoek blijkt dat gekoppeld aan de opwarming van de laatste decennia de intensiteit van de neerslag is toegenomen. Tussen 1910 en 2013 nam de jaarlijkse neerslag in Nederland toe met 26 procent. Door de stijgende temperatuur is ook de hoeveelheid waterdamp in de lucht toegenomen. Dat verklaart gedeeltelijk de toename van de jaarlijkse hoeveelheid neerslag. Het effect op zware buien is nog groter. Uit waarnemingen blijkt dat bij de meest extreme buien de hoeveelheid neerslag per uur toeneemt met ongeveer 12 procent per graad opwarming. Volgens de KNMI'14-klimaatscenario's zal de hoeveelheid neerslag gemiddeld verder toenemen en wordt de kans op extreme regenbuien met hagel en onweer groter.

Bron KNMI

 


 

Hittegolf:

Een hittegolf is in Nederland een periode van minstens vijf dagen met in De Bilt zomerse temperaturen (25.0 graden of meer) waarvan er minstens drie tropisch (30 graden of meer). Een hittegolf houdt aan zolang de temperatuur in De Bilt boven de 25 graden blijft uitkomen.

 

Hittegolven sinds 1901

 

Een hittegolf is een opeenvolging van in De Bilt minimaal 5 zomerse dagen (maximumtemperatuur 25,0 °C of hoger), waarvan er minimaal drie tropisch (maximumtemperatuur 30,0 °C of hoger) zijn.

 

Tijdvak 1901 tot en met 30 sep 2013

 

Van tot en met Duur
in
dagen
Aantal
tropische
dagen
Hoogste
temperatuur
°C
Datum
hoogste
temperatuur
25 jul 1911 03 aug 1911 10 4 35.6 28 jul
07 aug 1911 14 aug 1911 8 5 34.9 10 aug
10 jul 1912 17 jul 1912 8 3 31.5 13 jul
10 jun 1917 19 jun 1917 10 3 32.4 16 jun
21 mei 1922 25 mei 1922 5 3 33.6 24 mei
05 jul 1923 15 jul 1923 11 7 34.8 11 jul
11 jul 1928 16 jul 1928 6 3 32.4 15 jul
26 aug 1930 30 aug 1930 5 3 32.8 28 aug
10 aug 1932 21 aug 1932 12 3 33.2 19 aug
17 jun 1936 24 jun 1936 8 4 32.1 20 jun
30 jul 1938 07 aug 1938 9 3 33.2 04 aug
17 jun 1941 26 jun 1941 10 3 33.2 23 jun
06 jul 1941 14 jul 1941 9 7 33.9 12 jul
26 aug 1942 31 aug 1942 6 3 31.1 27 aug
25 jul 1943 01 aug 1943 8 3 30.4 26 jul
18 aug 1944 25 aug 1944 8 3 34.7 23 aug
30 mei 1947 04 jun 1947 6 3 33.7 03 jun
25 jun 1947 30 jun 1947 6 4 36.8 27 jun
22 jul 1947 30 jul 1947 9 5 32.5 23 jul
11 aug 1947 27 aug 1947 17 4 34.1 16 aug
10 jun 1948 14 jun 1948 5 3 31.7 11 jun
25 jul 1948 02 aug 1948 9 4 33.0 28 jul
02 jun 1950 07 jun 1950 6 4 32.1 07 jun
29 jul 1975 15 aug 1975 18 6 32.9 08 aug
23 jun 1976 09 jul 1976 17 10 34.9 03 jul
29 jul 1982 04 aug 1982 7 4 31.9 02 aug
04 jul 1983 12 jul 1983 9 3 33.0 11 jul
26 jul 1990 04 aug 1990 10 3 35.3 04 aug
19 jul 1994 31 jul 1994 13 5 34.1 24 jul
29 jul 1995 03 aug 1995 6 3 32.3 31 jul
05 aug 1997 13 aug 1997 9 5 32.1 13 aug
28 jul 1999 04 aug 1999 8 3 31.4 01 aug
22 aug 2001 26 aug 2001 5 3 31.1 25 aug
31 jul 2003 13 aug 2003 14 7 35.0 07 aug
02 aug 2004 11 aug 2004 10 3 32.5 09 aug
18 jun 2005 24 jun 2005 7 3 32.8 20 jun
30 jun 2006 06 jul 2006 7 3 32.0 04 jul
15 jul 2006 30 jul 2006 16 8 35.7 19 jul
21 jul 2013 27 jul 2013 7 3 32.6 22 jul

 

Totaal 39 hittegolven

 

Bron KNMI


 

Hondsdagen:

De dagen van omstreeks 20 juli tot rond 20 augustus worden de Hondsdagen genoemd. In deze periode komt de heldere ster Sirius in het sterrenbeeld De Grote Hond gelijk met de zon op. Sirius, die op een afstand van 8 lichtjaar van de aarde staat, is dan dus niet zichtbaar. De tijd van de Hondsdagen is de warmste van het jaar. Onweersbuien met veel regen in korte tijd zijn karakteristiek voor deze periode.

Voor onze voorouders. die nog niet over koelkasten beschikten, was dat de tijd waarin levensmiddelen en vooral melk snel bedierven. In verschillende landen had men vroeger de gewoonte om honden tijdens de Hondsdagen te muilkorven uit vrees voor hondsdolheid. Maar de Hondsdagen hebben verder niets te maken met honden, al kan het tijdens onweer ‘hondenweer’ zijn. Het woord ‘honde(n)weer’, dat er volgens de nieuwe spelling een ‘n’ heeft bijgekregen, is afgeleid van het oud-Nederlandse woord ‘ondewee’ dat slecht weer betekent.

 


 

Schaal van Beaufort:

De windkracht wordt in Nederland gemeten en uitgelegd volgens de schaal van Beaufort. Als u op de radio hoort “Vlissingen, windkracht 8?, dan betekent dat 8 op de schaal van Beaufort. Hieronder vind u de schaal van Beaufort, met bijbehorende windsnelheid en omschrijving.

kracht term snelheid in km/u omschrijving
0 stil 0-1 in rust
1 zwak 1-5 geen beweging
2 zwak 6-11 blad ritselt
3 matig 12-19 bladeren en twijgen in beweging, spinnen verplaatsen zich niet
4 matig 20-28 kleine takken bewegen
5 vrij krachtig 29-38 kleine takken met bladeren en bomen bewegen
6 krachtig 39-49 grote takken bewegen
7 hard 50-61 hele bomen bewegen
  stormachtig 62-74 twijgen breken af
9 storm 75-88 takken breken af, hoge golven op zee
10 zware storm 89-102 bomen worden ontworteld, vogels aan de grond
11 zeer zware storm 103-117 enorme schade aan bossen
12 orkaan >117

verwoesting, lucht vol schuim en verwaaid zeewater

 


 

Dauwpunt

 
Het dauwpunt is de temperatuur waarbij waterdamp begint te condenseren door afkoeling van de lucht zonder dat vocht wordt toegevoerd of afgevoerd. Zodra de dauwpuntstemperatuur wordt bereikt is de lucht verzadigd met waterdamp en bedraagt de relatieve vochtigheid 100%. Denk maar aan de bril die beslaat zodra je in een warmere vochtige omgeving komt. Eerst is de temperatuur van de bril nog lager dan het dauwpunt van de lucht rond de bril, waardoor het vocht op de brillenglazen condenseert en de bril tijdelijk beslaat.
Dauwpunt
Het dauwpunt is de temperatuur waarbij waterdamp begint te condenseren door afkoeling van de lucht zonder dat vocht wordt toegevoerd of afgevoerd.Zodra de dauwpuntstemperatuur wordt bereikt is de lucht verzadigd met waterdamp en bedraagt de relatieve vochtigheid 100%. Denk maar aan de bril die beslaat zodra je in een warmere vochtige omgeving komt. Eerst is de temperatuur van de bril nog lager dan het dauwpunt van de lucht rond de bril, waardoor het vocht op de brillenglazen condenseert en de bril tijdelijk beslaat.
 
Bron KNMI

Aanvullende gegevens